Willem van Tijen | 366 Bijzondere Nederlanders

Gepubliceerd op 1 februari 2026 om 06:06
digitale bewerking van Willem van Tijene op een van zijn gebouwen

Willem van Tijen (1894-1974)

Vandaag vieren we de geboortedag van architect Willem van Tijen,
grondlegger van de sociale woningbouw.

Verderop in dit blog zijn biografie.

De digitale bewerking hierboven en de verjaardagskalender met 366 bijzondere Nederlanders, zijn made by me, Frieke.

Click op de fabeelding om de kalender te bekijken.

Wie was Willem van Tijen?

Willem van Tijen (Wormerveer, 1 februari 1894 – Heemstede, 28 mei 1974) was een van de meest invloedrijke Nederlandse architecten van de twintigste eeuw. Hij wordt beschouwd als een van de grondleggers van de sociale woningbouw in Nederland en liet een nalatenschap achter van meer dan tien rijksmonumenten, toonaangevende flatgebouwen en complete stadswijken die tot op de dag van vandaag bewoond worden.

Opmerkelijk genoeg was Van Tijen geen opgeleide architect. Hij studeerde civiele techniek en werkte als irrigatie-ingenieur in Nederlands-Indië – en het is juist die buitenstaanderspositie die hem in staat stelde de Nederlandse woningbouw te vernieuwen. Zonder de ballast van bouwtraditie zag hij mogelijkheden die anderen over het hoofd zagen: industrialisatie, hoogbouw en betaalbare kwaliteitswoningen voor gewone mensen.

"Ik ben een rationalist, maar er is meer op de wereld…" – Willem van Tijen (uit de gelijknamige monografie van T. Idsinga & J. Schilt, 1987)

Van irrigatie-ingenieur naar woonpionier

Jeugd en opleiding in Nederlands-Indië (1894–1926)

Willem van Tijen groeide op als de derde zoon van fabrikant Willem van Tijen (1860–1901) en Wilhelmina Maria Laan (1865–1917). Na zijn middelbare opleiding vertrok hij naar Nederlands-Indië, waar hij tijdens de Eerste Wereldoorlog studeerde en werkte. In 1924 studeerde hij af aan de Technische Hogeschool in Bandoeng, met als specialisme irrigatietechniek. Vervolgens werkte hij op Java aan stuwdammen en irrigatieprojecten – grootschalige infrastructuur die zijn gevoel voor techniek en schaal aanscherpte.

In 1926 dwong een ernstige polioinfectie hem terug te keren naar Nederland. Tijdens zijn revalidatiewandelingen door Amsterdam raakte hij diep onder de indruk van de naoorlogse sociale woningbouw die hij daar aantrof – woningen gebouwd met overheidssubsidie, maar met beperkte innovatie. Bijzonder fascineerde hem Betondorp in de Watergraafsmeer, vanwege de toepassing van beton. Van Tijen was ervan overtuigd: bouwen moest goedkoper kunnen, zonder subsidie, mét nieuwe materialen en industriële methoden.

De NV Volkswoningbouw Rotterdam (1928–1929)

In 1928 ontmoette Van Tijen Auguste Plate, voormalig directeur van de Rotterdamse Dienst Volkshuisvesting. Samen richtten zij de NV Volkswoningbouw Rotterdam op. Omdat Van Tijen zelf niet kon tekenen, schakelde hij architecten in: eerst W. Greve, later L.C. van der Vlugt. Tussen 1927 en 1929 bouwde de NV dertig betonnen woningen in de Rotterdamse wijk Bloemhof. Verdere projecten mislukten door gebrek aan financiering, maar het zaad was geplant.

Na een tevergeefse zoektocht naar opdrachten in de Sovjet-Unie vestigde Van Tijen zich in 1929 definitief in Rotterdam. Hij sloot vriendschappen met toonaangevende architecten als J.H. van den Broek en Brinkman & Van der Vlugt, en werd actief lid van de Rotterdamse architectenvereniging De Opbouw – het hart van Het Nieuwe Bouwen in Nederland.

 

Het Nieuwe Bouwen: architectuur als sociale missie

Het Nieuwe Bouwen was een internationale modernistische beweging die in de jaren twintig en dertig van de twintigste eeuw ook in Nederland sterk vertegenwoordigd was. Kern van de beweging: architectuur moest functioneel, rationeel en sociaal zijn. Licht, lucht en ruimte waren geen luxe, maar rechten van elke bewoner. Ornamenten waren overbodig; schone lijnen, transparante constructies en betaalbare bouw stonden centraal.

Voor Van Tijen was dit geen esthetisch standpunt, maar een maatschappelijke overtuiging. Hij geloofde dat degelijke, betaalbare woningen mensen letterlijk een beter leven konden geven. Hij publiceerde een standaardwerk met normgetallen voor de woningbouw, waarmee hij in vakkringen snel aanzien verwierf. Zijn rationele aanpak – gekoppeld aan een warm sociaal hart – maakte hem tot de meest geloofwaardige volkshuisvester van zijn generatie.

Van Tijen geloofde dat goede woningen mensen een beter leven geven. Architectuur was voor hem geen kunst, maar een instrument van sociale verheffing.

 

De grote drie: hoogbouwpionierswerk in Rotterdam (1933–1938)

De Parklaanflat (1933): zijn doorbraak

In 1932 realiseerde Van Tijen in Zutphen al het woonwijkje De Pol, met goedkope eengezinswoningen. Maar zijn definitieve doorbraak als architect kwam in 1933 met de Parklaanflat aan de Parklaan in het Scheepvaartkwartier van Rotterdam – een uiterst vernieuwend flatgebouw dat het gedachtegoed van Het Nieuwe Bouwen in baksteen en beton omzette. Van Tijen toonde zijn geloof in zijn eigen ontwerp op de meest directe manier: hij trok met zijn gezin in op de bovenste verdieping.

De Bergpolderflat (1934): het prototype van de galerijflat

Een jaar later volgde het werk waarvoor Willem van Tijen tot op de dag van vandaag internationaal bekend staat: de Bergpolderflat (1934) aan de Doctor de Visserstraat in Rotterdam, ontworpen samen met L.C. van der Vlugt. Dit negen verdiepingen tellende gebouw in staalskeletbouw wordt beschouwd als het prototype van de galerijflat – de mondiale standaardvorm voor sociale hoogbouw die na 1965 wereldwijd zou worden toegepast.

Het hypermoderne gebouw trok onmiddellijk internationale aandacht. Ironisch genoeg woonden er uiteindelijk geen arbeiders in, maar ambtenaren en onderwijzers – betaalbaar maar net iets te avantgardistisch voor de doelgroep. De flat is vandaag de dag een rijksmonument en staat in beheer bij Vestia Rotterdam.

De Kralingse Plaslaanflat (1938): verfijning en samenwerking

In 1938 realiseerde Van Tijen zijn derde grote hoogbouwproject: de Kralingse Plaslaanflat, ditmaal samen met zijn nieuwe medewerker Hugh Maaskant. Gebouwd op dezelfde principes als de Bergpolderflat, maar bestemd voor een hogere inkomensgroep en voorzien van technische verfijningen. Van Tijen woonde er zelf van 1939 tot 1953 – wederom een bewijs van zijn principiële betrokkenheid bij zijn eigen ontwerpen.

 

Maaskant & Van Tijen (1937–1955): het meest productieve duo van de wederopbouw

In 1937 begon Van Tijen een samenwerking met de twintig jaar jongere Hugh Aart Maaskant (1907–1977). De taakverdeling was helder en complementair: Van Tijen was verantwoordelijk voor de woningbouw en bepaalde inhoud en kwaliteit; Maaskant nam de utiliteitsbouw en de vormgeving voor zijn rekening.

Nog in 1937 realiseerden zij aan de Essenlaan in Rotterdam de zogenoemde drive-in-woningen: vijf geschakelde herenhuizen met inpandige garage, een revolutionair concept voor die tijd. Ook in Amsterdam ontwierp Van Tijen rond deze periode drive-in-woningen, samen met Mart Stam.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog bleef Van Tijen actief. Hij publiceerde de invloedrijke studie Woonmogelijkheden in het Nieuwe Rotterdam, een visie op de naoorlogse heropbouw van de door het bombardement van mei 1940 verwoeste stad. Na de bevrijding was hij ook politiek actief als gemeenteraadslid voor de SDAP (later de PvdA).

Iconen van de naoorlogse wederopbouw

Na de Tweede Wereldoorlog beleefde het bureau zijn meest productieve periode. Tot de hoogtepunten behoren:

  • Het Nationaal Luchtvaartlaboratorium in Amsterdam (opgeleverd 1941)
  • Industriegebouwen aan de Goudsesingel en de Oostzeedijk in Rotterdam
  • De Zuidpleinflat in Rotterdam (1949) – bij oplevering het hoogste woongebouw van Europa, nu een beschermd rijksmonument
  • Het Groothandelsgebouw in Rotterdam (1955) – een van de meest herkenbare symbolen van de Rotterdamse wederopbouw, tot op de dag van vandaag een bruisend bedrijfsverzamelgebouw in het hart van de stad.

De samenwerking eindigde in 1955, toen Van Tijen op 60-jarige leeftijd naar Zandvoort verhuisde. Hij richtte een nieuw bureau op met M. Boom, J. Posno en A. van Randen.

 

Shake-hands architectuur: de brug tussen modernisme en traditie

Na de oorlog zocht Van Tijen actief toenadering tot de traditionalisten – in het bijzonder de Delftse School rond hoogleraar Granpré Molière. Hij wilde de kloof tussen de functionalistische modernisten en de traditionalistische Delftenaren overbruggen.

Hij introduceerde daarvoor de term shake-hands architectuur: een bouwstijl die het modernisme van Het Nieuwe Bouwen verzoende met de materiaalrijkdom en menselijke schaal van de Delftse traditie. Baksteen en beton, hand in hand. De Zuidpleinflat (1949) en het Industriegebouw aan de Goudsesingel (1949) zijn de meest sprekende voorbeelden van deze unieke tussenweg.

Shake-hands architectuur – Van Tijens eigen term voor een bouwstijl die Het Nieuwe Bouwen en de Delftse traditie met elkaar verbond. Een huwelijk van baksteen en beton dat nergens elders in Nederland zo bewust werd nagestreefd.

 

Volkshuisvesting en stedenbouw: een land opgebouwd

Rotterdam: Zuidwijk en meer

De grootste naoorlogse uitdaging was de nijpende woningnood. Van Tijen omarmde de industrialisatie van de bouw als onvermijdelijk, maar verloor de kwaliteit van het wonen nooit uit het oog. Hij ontwierp prefabwoningen in zorgvuldig geplande wijken door heel Nederland.

In Rotterdam was hij nauw betrokken bij de ontwikkeling van de woonwijk Zuidwijk – een van zijn meest geliefde en bekende projecten. De wijk staat zo sterk in zijn naam dat Rotterdam hem in 2006 eerde met het Van Tijenplantsoen en een permanent monument.

Vlaardingen: een stad als schoolvoorbeeld

Als stedenbouwkundig adviseur van de gemeente Vlaardingen tekende Van Tijen de hoofdstructuur van drie naoorlogse uitbreidingswijken: Babberspolder-Oost, de Westwijk en de Holywijk. Mede dankzij zijn visie stonden de ontwikkelingen in Vlaardingen in de jaren vijftig en zestig nationaal en internationaal in de schijnwerpers en trokken zij een keur aan befaamde architecten aan.

Amsterdam: Geuzenveld en de Van Tijenbuurt

In Amsterdam ontwierp Van Tijen in de naoorlogse wijk Geuzenveld een complete buurt – inmiddels de Van Tijenbuurt geheten. De portiekflats, opgericht tussen 1953 en 1959, waren karakteristiek voor zijn ontwerpaanpak: strak en functioneel, met grote ramen voor maximaal licht in de woningen en trappenhuizen.

Andere steden: Delft, Wageningen, Twente

Zijn werkterrein strekte zich uit ver buiten Rotterdam en Amsterdam. In Delft en Vlaardingen ontwierp hij complete woonwijken. In Wageningen maakte hij het stedenbouwkundig ontwerp voor het universiteitscomplex De Dreijen en het gebouw Dreijenborch (1961). In Twente was hij betrokken bij de opzet van de eerste campusuniversiteit van Nederland – de latere Universiteit Twente – en zette hij jonge talenten zoals Piet Blom, Herman Haan en Joop van Stigt aan het werk.

 

Erkenning en onderscheidingen

De erkenning voor Van Tijens werk strekte zich uit over decennia en nam uiteenlopende vormen aan.

  • 1952 – Officier in de Orde van Oranje-Nassau
  • 1964 – Albert Schweitzerprijs
  • 1969 – Staatsprijs voor Beeldende Kunst en Architectuur – de hoogste Nederlandse architectuuronderscheiding
  • 1972 – Eredoctoraat Technische Wetenschappen, TU Delft – opmerkelijk voor iemand zonder formele architectuuropleiding
  • Houder van de Hudig-medaille

In 1987 verscheen de standaardmonografie over zijn leven en werk: Architect W. van Tijen 1894-1974 – 'Ik ben een rationalist, maar er is meer op de wereld…', geschreven door T. Idsinga en J. Schilt. In 2024 volgde een nieuwe biografie van Jolinda van der Born-Kok, André van Deursen en Jeroen Moerman.

 

Nalatenschap: meer dan stenen en beton

Het oeuvre van Willem van Tijen telt meer dan tien rijksmonumenten. De ir. W. van Tijen Stichting zet zich actief in voor het behoud van zijn gedachtegoed en architectonische werken – een taak die urgent is nu steeds meer naoorlogse woongebouwen ter discussie staan vanwege verduurzaming en sloop.

Maar zijn erfenis is meer dan stenen en beton. Van Tijen heeft in 1965 actief bijgedragen aan de wettelijke verankering van minimumkwaliteitsnormen voor sociale woningbouw in Nederland. Hij heeft via zijn bureau een generatie jonge architecten gevormd en hij heeft bewezen dat een buitenstaander – een ingenieur zonder formele architectuuropleiding – de architectuurwereld fundamenteel kan veranderen als hij gedreven wordt door een helder maatschappelijk ideaal.

Wie door een naoorlogse Nederlandse woonwijk loopt – in Rotterdam, Vlaardingen, Amsterdam of Delft – loopt door de nalatenschap van Willem van Tijen. Zijn gedachtegoed is niet alleen bewaard in monumenten, maar in het dagelijkse leven van honderdduizenden mensen.

 

Conclusie: een architect die de wereld beter wilde maken

Willem van Tijen was een uniek fenomeen in de Nederlandse architectuurgeschiedenis. Geen opgeleide architect, maar een ingenieur met een rotsvast sociaal ideaal. Geen dogmaticus, maar een pragmaticus die zowel met modernisten als traditionalisten kon samenwerken. Geen theatermaker, maar een bouwheer die zelf in zijn eigen gebouwen ging wonen.

De Bergpolderflat (1934) staat als een wereldmonument van sociale huisvesting. Zijn wijken in Rotterdam, Vlaardingen en Amsterdam bieden tot op de dag van vandaag thuis aan tienduizenden mensen. En zijn overtuiging – dat goede architectuur de samenleving kan verbeteren – is relevanter dan ooit nu Nederland opnieuw voor een gigantische woningbouwopgave staat.

 

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.